Twee opties voor de referentiewaarde
De nieuwe meerwaardebelasting geeft belastingplichtigen twee opties om de referentiewaarde van niet-beursgenoteerde aandelen vast te stellen. De eerste is de forfaitaire methode: een eenvoudige formule die de waarde berekent als (EBITDA × 4) + eigen vermogen. De tweede is een professionele waardering door een onafhankelijk bedrijfsrevisor of gecertificeerd accountant.
De keuze tussen beide methoden is niet triviaal. Het verschil kan honderdduizenden — of zelfs miljoenen — euro's bedragen. Dat vertaalt zich direct in meer of minder belasting bij een toekomstige verkoop van uw aandelen.
De forfaitaire formule in detail
De forfaitaire methode gebruikt de laatst neergelegde jaarrekening vóór 1 januari 2026. De EBITDA (earnings before interest, taxes, depreciation and amortization) wordt vermenigvuldigd met een vaste factor 4, en daarbij wordt het eigen vermogen opgeteld. Geen correcties, geen normalisaties, geen sectorspecifieke aanpassingen.
Voorbeeld: een KMO met een EBITDA van €400.000 en een eigen vermogen van €600.000 krijgt een forfaitaire referentiewaarde van (€400.000 × 4) + €600.000 = €2.200.000. Maar wat als de werkelijke marktwaarde €3.500.000 is? Dan mist u €1.300.000 aan referentiewaarde — en betaalt u bij verkoop belasting op die €1.300.000 extra.
Wat de Vlerick M&A Monitor ons leert over multiples
De Vlerick Business School publiceert jaarlijks de M&A Monitor met data over Belgische overnames. De cijfers voor 2024 tonen duidelijke sectorverschillen. Technologie: 9,1× EBITDA. Farma: 8,5×. Gezondheidszorg: 8,0×. Retail: 5,6×. Logistiek: 5,5×. Bouw: 4,8×. Het gemiddelde over alle segmenten bedraagt 6,5×.
Ook regionaal zijn er verschillen. Transacties onder €5M in Vlaanderen: gemiddeld 5,1×. In Wallonië: 4,4×. In Brussel: 4,3×. De forfaitaire factor van 4 benadert enkel de laagste regionale multiples en onderschat zelfs de bouwsector.
Voor bedrijven in de hogere multiple-sectoren is het verschil dramatisch. Een technologiebedrijf wordt met de forfaitaire methode gewaardeerd aan minder dan de helft van de werkelijke marktwaarde.
Een professionele waardering: wat houdt het in?
Een professionele waardering combineert meerdere geaccepteerde methoden: discounted cash flow (DCF) met WACC-berekening, marktmultiples op basis van vergelijkbare beursgenoteerde ondernemingen, transactiemultiples uit de M&A-markt, gecorrigeerd netto-actief, en de Vlerick KMO-database met sectorspecifieke Belgische data.
Belangrijk: de waardering moet worden uitgevoerd door een onafhankelijk expert. Dit mag niet de eigen commissaris of de gebruikelijke accountant van het bedrijf zijn. Het IBR-IRE en het ITAA hebben hierover specifieke richtlijnen gepubliceerd.
Wanneer kiest u welke methode?
De forfaitaire methode volstaat wanneer uw bedrijf zich in een sector bevindt met lage multiples (rond 4×) en u verwacht dat de marktwaarde niet significant afwijkt van de formule. Dit kan het geval zijn bij specifieke dienstverlenende bedrijven of activagestuurde ondernemingen.
Een professionele waardering is aan te raden wanneer uw bedrijf zich in een groeisector bevindt, sterke cashflows heeft, immateriële activa bezit (merken, technologie, klantenbestand), of wanneer de sector-multiples significant boven 4× liggen. In de praktijk geldt dit voor de meerderheid van de Belgische KMO's.
Vergeet niet: u mag altijd de meest gunstige waarde kiezen. Het loont dus om beide methoden te berekenen en de hoogste als referentiewaarde te gebruiken.